De behandeling die een vastgelopen herstelproces opnieuw op gang brengt — daar waar het lichaam het uit zichzelf niet afmaakt.
De behandeling in het kort
| Wat het is | Injectie van een geconcentreerde glucose-oplossing op verzwakte pees- en ligamentaanhechtingen |
| Waarvoor | Ligamentlaxiteit, chronische peesaanhechtingsklachten, gewrichtsinstabiliteit, SI- en rugklachten |
| Werkingsprincipe | Niet pijn onderdrukken, maar een gecontroleerde herstelreactie uitlokken |
| Hoe | Meerdere kleine injecties op precies gelokaliseerde aanhechtingspunten |
| Duur afspraak | 5 tot 15 minuten |
| Aantal sessies | Doorgaans 3 tot 6, met tussenpozen van 2 tot 6 weken |
| Eerste effect | Vaak al na de tweede of derde sessie merkbaar |
| Verdoving | Lokaal verdovingsmiddel wordt meestal in de oplossing meegegeven |
| Herstel | Enkele dagen napijn; bewegen is toegestaan en gewenst |
| Locatie | Rotterdam en Dordrecht |
| Verwijsbrief | Niet nodig |
Wat prolotherapie is
Prolotherapie is een injectiebehandeling waarbij een geconcentreerde glucose-oplossing (suikerwater) wordt ingebracht op de plaats waar een pees of ligament aan het bot vasthecht — de zogenoemde fibro-ossale overgang.
De naam is een samentrekking van proliferatie (aangroei van weefsel) en therapie. Dat vat het doel precies samen. De behandeling onderdrukt niets. Ze lokt iets uit.
Het is de oudste behandeling in ons aanbod en, in aantallen, nog altijd de meest toegepaste. Dat is geen toeval: het overgrote deel van de mensen dat bij ons komt, heeft niet primair een kraakbeenprobleem maar een probleem met het bindweefsel dat een gewricht bij elkaar houdt.
Waarom sommige klachten jaren blijven bestaan
Een spierscheur geneest. Een snijwond in de huid geneest. Een ligament dat is overrekt vaak niet — of maar half.
De reden is banaal en mechanisch: doorbloeding. Ligamenten en peesaanhechtingen zijn wit van kleur, en die kleur zegt alles. Waar weinig bloed komt, komen weinig herstelcellen, weinig groeifactoren en weinig zuurstof. Het herstel begint wel, maar loopt vast halverwege. Het weefsel blijft achter in een tussentoestand: niet acuut beschadigd, maar ook niet hersteld. Langer, slapper en zwakker dan het was.
Daar begint een keten die veel patiënten herkennen:
- Het ligament rekt op en verliest zijn stabiliserende functie.
- Het gewricht krijgt speling waar het die niet hoort te hebben.
- Omliggende spieren spannen aan om dat te compenseren — vandaar de spasmes, de stijfheid, het gevoel dat er “iets moet kraken”.
- Het gewricht wordt ongelijkmatig belast. Kraakbeen en tussenwervelschijven krijgen daardoor meer te verduren.
- Jaren later verschijnt op de foto wat dan “slijtage” heet.
De pijn komt in die keten meestal niet uit het kraakbeen maar uit het ligament zelf. Peesaanhechtingen en gewrichtskapsels zijn dicht bezenuwd; het zijn uitgesproken pijngevoelige structuren. Bovendien stralen ze uit volgens vaste, herkenbare patronen — een SI-ligament dat naar de bil en het bovenbeen uitstraalt, een cervicaal kapselligament dat hoofdpijn achter het oog geeft. Wie die patronen kent, kan de bron aanwijzen zonder beeldvorming.
En dat is maar goed ook, want beeldvorming laat dit type letsel doorgaans niet zien. Ligamentschade is te dun en te diffuus voor een standaard-MRI. Omgekeerd zijn de bevindingen die wél op de foto staan — een lichte discusuitpuiling, wat botsporen, “beginnende slijtage” — vaak eerder gevolg dan oorzaak. De diagnose wordt daarom gesteld met de handen, niet met de scanner.
Hoe prolotherapie werkt
De ingespoten suikeroplossing is hyperosmolair: ze bevat een veel hogere suikerconcentratie dan het omringende weefsel. Dat veroorzaakt een korte, scherp begrensde prikkel op de aanhechting.
Het lichaam beantwoordt die prikkel met een lokale ontstekingsreactie. Dat woord schrikt patiënten soms af, dus het verdient uitleg: dit is geen ziekmakende ontsteking maar de fysiologische eerste fase van weefselherstel — dezelfde fase die na een verse blessure normaal optreedt, en die bij een chronisch letsel juist is uitgedoofd. Prolotherapie zet die fase opnieuw aan.
Wat daarna gebeurt, verloopt over weken:
- Fibroblasten — de cellen die bindweefsel aanmaken — worden geactiveerd en gerekruteerd naar de aanhechting.
- Nieuw collageen wordt aangelegd en over de opeenvolgende sessies steeds beter geordend.
- Het weefsel wordt dikker, steviger en beter belastbaar. Het gewricht krijgt zijn stabiliteit terug.
Daarnaast speelt de naald zelf een rol. Het aanprikken van een chronisch, “slapend” letsel verstoort lokaal het celmembraan en de bloedvoorziening en zet daarmee opnieuw herstelfactoren vrij. Dat is een op zichzelf staand mechanisme, los van de vloeistof.
Ten slotte is er een pijnmechanisme dat losstaat van weefselopbouw: glucose beïnvloedt de TRPV1-receptor op pijnvezels — dezelfde receptor die op capsaïcine reageert — en dempt daarmee de afgifte van pijnstoffen. Dat verklaart waarom sommige patiënten al direct na de eerste sessie verlichting merken, ruim voordat er structureel iets veranderd kan zijn.
Corticosteroïden dempen. Prolotherapie stimuleert. Dat is geen nuance maar een tegenovergesteld werkingsprincipe.
Waar prolotherapie thuishoort
Er is een grote groep patiënten die tussen wal en schip valt: te hardnekkig voor fysiotherapie alleen, niet ernstig genoeg voor een operatie. Internationaal heet die ruimte the space between physiotherapy and surgery. Het is de ruimte waarin de orthopedische geneeskunde werkt, en prolotherapie is er de meest gebruikte behandeling — bij ons en wereldwijd.
Hoe dat zich verhoudt tot de rest:
Fysiotherapie en oefentherapie zijn geen voorstadium maar een noodzakelijke partner. Prolotherapie maakt het ligament sterker; oefentherapie zorgt dat die winst functioneel wordt en dat het gewricht in de juiste stand belast wordt. In studies waarin prolotherapie werd gecombineerd met oefentherapie waren de uitkomsten consistent beter dan bij een van beide alleen. Wij behandelen dus niet in plaats van, maar bovenop. Prolotherapie is uitdrukkelijk geen stand-alone behandeling.
Manuele therapie en chiropractie grijpen aan op de stand en de beweeglijkheid. Dat is nuttig en vaak direct verlichtend, maar bij een laks ligament is het effect per definitie tijdelijk: het gewricht schiet terug omdat de structuur die het op zijn plaats moet houden zijn werk niet doet. Wie merkt dat een correctie steeds korter houdt, herkent hierin waarschijnlijk het eigen beloop. Bij ons lopen de mechanische en de biologische behandeling daarom naast elkaar.
Corticosteroïdinjecties doen het omgekeerde van prolotherapie. Ze remmen de ontstekingsreactie — uitstekend bij een acute bursitis, een synovitis of een capsulitis in de bevriezende fase, en soms bruikbaar als tijdelijke brug om een revalidatie op gang te krijgen. Bij een chronische peesaanhechting is dat principe echter contraproductief: herhaald gebruik remt juist de collageensynthese die u nodig hebt. Vandaar de standaardregel dat er ruim tijd moet zitten tussen een corticosteroïdinjectie en een regeneratief traject.
Bloedplaatjesbehandelingen zijn de logische volgende stap wanneer de prikkel alleen niet genoeg is. Bij een klein, afgebakend ligamentprobleem is glucose voldoende om het herstel op gang te krijgen. Bij uitgebreidere degeneratie, bij langer bestaande peesklachten of bij een duidelijke intra-articulaire component levert de toevoeging van bloedplaatjes met hun groeifactoren extra biologisch materiaal. Beide behandelingen zijn ook in één sessie te combineren.
Op dat punt hoort ook een eerlijke kanttekening. Bij artrose in het gewricht — kraakbeen, gewrichtsvloeistof, synovium — zijn de resultaten van PRP-behandelingen in vergelijkend onderzoek beter dan die van prolotherapie alleen. Dat is geen verrassing en ook geen diskwalificatie: het zijn twee behandelingen die op een verschillende structuur aangrijpen. Prolotherapie is de behandeling van de aanhechting en het ligament; het is niet in de eerste plaats een intra-articulaire behandeling. Bij veel knieën spelen beide problemen tegelijk, en dan is de vraag niet welke behandeling wint maar welke structuur wat nodig heeft.
Een operatie is soms de juiste keuze en dat zeggen wij ook. Bij een complete peesruptuur, een instabiele fractuur, ernstige zenuwuitval of bij bot-op-bot artrose met continue pijn is een chirurgische oplossing geïndiceerd. Dan is regeneratieve behandeling geen alternatief maar uitstel.
De ladder is dus geen menukaart waarvan u het duurste gerecht kiest. Het is een reeks treden waarop u begint bij de behandeling die past bij uw weefsel en uw stadium. Voor een groot deel van onze patiënten is dat prolotherapie — en blijft het daar ook bij.
Indicatie-overzicht
| Domein | Indicatie | Aandachtspunten |
|---|---|---|
| Bekken en onderrug | SI-gewrichtsklachten en ligamentlaxiteit | Dorsale interossale, SI- en iliolumbale ligamenten; effect houdt langer aan dan bij corticosteroïd |
| Chronische lage rugpijn door ligamentdisfunctie | Alleen bij een aantoonbare ligamentaire component; niet bij zuiver discogene pijn | |
| Facetgewrichtsproblematiek (lumbaal, thoracaal, cervicaal) | Kapselligamenten van het facetgewricht | |
| Bekkeninstabiliteit na zwangerschap | Symfyse en SI-gewrichten | |
| Stuitpijn (coccygodynie) | Ligamenteuze aanhechtingen rond het staartbeen | |
| Nek | Cervicale instabiliteit | Capsulaire ligamenten C0–C7; bij hoofdpijn, duizeligheid en uitstralingsklachten |
| Restklachten na whiplash | Capsulaire ligamenten van de cervicale facetgewrichten | |
| Pijn tussen de schouderbladen | Vaak uitstraling vanuit C4–C6 | |
| Elleboog | Tenniselleboog (epicondylitis lateralis) | Gemeenschappelijke strekpees, annulair ligament, supracondylaire richel |
| Golferselleboog (epicondylitis medialis) | Gemeenschappelijke buigpees | |
| Schouder | Rotatorcuff-tendinopathie, licht tot matig | Enthesen van supraspinatus, infraspinatus, teres minor |
| AC-artrose en ligamentlaxiteit | AC-ligamenten | |
| Knie | Collaterale bandletsel, met name MCL | Oorsprong en aanhechting van het ligament |
| Knieartrose met ligamentaire instabiliteit | Periarticulaire aanpak; bij duidelijke intra-articulaire component in combinatie | |
| Peesklachten rond de knie, waaronder jumper’s knee | Patellapeesaanhechting | |
| Voet en enkel | Hielspoor / plantaire fasciopathie | Calcaneusaanhechting en mediale voetboog |
| Achillespeestendinopathie | In combinatie met excentrische oefentherapie | |
| Chronische enkelbandklachten | Bij restinstabiliteit na een verzwikking die niet uitheelt | |
| Hand | Duimbasis- en vingerartrose | Kleine gewrichten; nauwkeurige techniek vereist |
| Kaak | Kaakgewrichtsinstabiliteit (TMJ) | Kapsel en steunligamenten; goed onderzochte indicatie |
Deze lijst is uitsluitend! Of uw klacht geschikt is, blijkt uit lichamelijk onderzoek — niet uit de diagnose op een verwijsbrief.
Wat het bewijs laat zien
Prolotherapie is meer dan honderd jaar oud en is lang buiten de wetenschappelijke hoofdstroom gebleven. Dat is de afgelopen twee decennia veranderd, met per indicatie een heel verschillend beeld. Wij vinden het belangrijker om dat verschil eerlijk te benoemen dan om één gemiddelde te presenteren.
Waar het bewijs sterk is:
- Tenniselleboog. In een netwerkmeta-analyse van veertig gerandomiseerde studies kwam dextrose-prolotherapie als hoogst scorende behandeling uit de bus, zowel op korte als op middellange termijn. Dat is voor deze indicatie een opvallend resultaat, gegeven het aantal beschikbare alternatieven.
- SI-gewricht en bekkeninstabiliteit. In vergelijkend onderzoek tegen corticosteroïd hield het effect van prolotherapie aanmerkelijk langer aan — een verschil dat na ruim een jaar nog steeds meetbaar was. Drie sessies met ongeveer een maand ertussen gaven duidelijke functionele winst.
- Kaakgewricht. Een van de best onderzochte indicaties, met in series een sterke afname van herhaalde luxaties en betere resultaten dan met een opbeetplaat.
- Achillespees. Excentrische oefentherapie aangevuld met prolotherapie deed het beter dan excentrische oefentherapie alleen, met op beeldvorming aantoonbare afname van peesdegeneratie.
- Hand- en duimartrose. Dextrose deed het beter dan zowel een lokaal verdovingsmiddel als een corticosteroïd op pijn en functie.
- Hielspoor. Beter dan een rekprogramma alleen, en gelijkwaardig aan shockwavetherapie.
Ander bewijs:
- Chronische lage rugpijn. Hier hebben wij klinisch het meeste ervaring mee en reageren onze geselcteerde patiënten erg consistent erg goed op. Hier is het beeld eerlijk gezegd wisselend. Prolotherapie als losstaande behandeling is in meta-analyses niet overtuigend beter dan controle; in combinatie met oefentherapie en manuele behandeling is dat wel het geval. Wij denken dat dit minder over de behandeling zegt dan over de patiëntenselectie: “lage rugpijn” is geen diagnose maar een verzamelnaam voor een handvol heel verschillende mechanismen. Prolotherapie is zinvol wanneer een ligamentaire component daadwerkelijk is aangetoond bij lichamelijk onderzoek — en niet zinvol bij zuiver discogene pijn, een acute hernia met uitval of spinale stenose. Dat onderscheid maken is precies waar het consult voor dient. In wetenschappelijke onderzoeken worden veel mensen met rugklachten op een hoop gegooid en worden dan hetzelfde behandeld. Dat is niet consistent aan de realiteit en daarom zijn sommige wetenschappelijk onderzoeken minder succesvol dan bij geselecteerde patiënten!
- Knieartrose. Meerdere gerandomiseerde studies laten verbetering van pijn en functie zien ten opzichte van placebo of oefentherapie alleen, en prolotherapie is effectief bij knielaxiteit. Bij overwegend intra-articulaire problematiek presteren bloedplaatjesbehandelingen in vergelijkend onderzoek echter beter.
Wat over de hele linie geldt: het grootste knelpunt in de literatuur is dat protocollen niet gestandaardiseerd zijn. Concentratie van de oplossing, aantal injectieplaatsen, aantal sessies en interval verschillen sterk per studie. Dat maakt vergelijken lastig en verklaart een deel van de spreiding in resultaten. Het maakt ook duidelijk waarom de uitvoering zo bepalend is: prolotherapie is bij uitstek een behandeling waarbij de anatomische precisie het resultaat maakt.
Hoe de behandeling verloopt
1. Onderzoek eerst. Er wordt nooit geïnjecteerd zonder voorafgaand lichamelijk onderzoek. Dat onderzoek is bij prolotherapie niet alleen een formaliteit maar de kern van de behandeling: er wordt geïnjecteerd op basis van een anatomische kaart die tijdens het onderzoek wordt opgesteld — welke aanhechtingen zijn drukpijnlijk, welk uitstralingspatroon reproduceert de klacht, welke richting geeft speling.
2. Voorbereiding. Ontstekingsremmers (NSAID’s zoals ibuprofen, naproxen of diclofenac) worden vanaf ongeveer twee weken vóór de behandeling gestaakt; ze remmen precies de reactie die u wilt opwekken. Paracetamol mag. Gebruikt u NSAID’s voor een andere aandoening, stop daar dan nooit op eigen initiatief mee — overleg eerst.
3. De injecties. De oplossing bestaat uit dextrose in een concentratie van ongeveer 12,5 tot 25 procent, doorgaans gemengd met een lokaal verdovingsmiddel. Er wordt niet één keer geprikt maar meerdere keren: kleine hoeveelheden verdeeld over het hele aangedane gebied, waarbij de naald telkens gedeeltelijk wordt teruggetrokken en opnieuw gericht. Dat klinkt intensiever dan het is — de naalden zijn dun en de hoeveelheden klein.
Bij aanhechtingen met een duidelijk botcontact als eindpunt is nauwkeurige palpatie de leidraad; bij dieper gelegen of anatomisch risicovollere structuren gebeurt de injectie onder echogeleiding. Welke van de twee, hangt af van de locatie en wordt vooraf besproken.
4. Daarna. U staat op en loopt naar buiten. Geen nabehandeling, geen verband, geen rijverbod.
De hele afspraak duurt 5 tot 15 minuten.
Na de behandeling
De eerste dagen is het behandelde gebied gevoelig, soms duidelijk pijnlijker dan ervoor. Dat is het beoogde effect: u hebt een herstelreactie uitgelokt. De piek ligt doorgaans in de eerste 72 uur en zakt daarna af.
- Bewegen mag en moet. Anders dan bij een bloedplaatjesbehandeling is er geen periode van relatieve rust. Rust is bij ligamentaire klachten juist ongunstig; belasting in het pijnvrije bereik stuurt de aanmaak van nieuw collageen in de juiste richting.
- Geen NSAID’s gedurende ongeveer drie weken. Dit is de belangrijkste leefregel. Paracetamol tot vier gram per dag verstoort de herstelcascade niet en is dus het aangewezen middel bij napijn. Een warm bad of een warmtekussen helpt vaak beter dan welke tablet ook.
- Vermijd piekbelasting van het behandelde gebied in de eerste dagen — geen zwaar tillen, geen explosieve sportbelasting.
- Ga door met uw oefeningen. Het oefenprogramma is onderdeel van de behandeling, niet iets wat erna komt.
Aantal behandelingen en verwacht beloop
Prolotherapie is een serie, geen enkele injectie. Eén sessie zegt weinig; het effect wordt opgebouwd.
| Gebied | Indicatieve serie |
|---|---|
| Onderrug, SI-gewricht, bekken | 3 tot 6 sessies |
| Nek en cervicale ligamenten | 4 tot 6 sessies, interval 2 tot 3 weken |
| Elleboog | 3 tot 4 sessies, interval ongeveer 3 weken |
| Knie, schouder, voet | 3 tot 6 sessies, interval 2 tot 4 weken |
Het exacte aantal en het interval volgen uit de bevindingen en het herstelverloop, en worden na iedere sessie opnieuw beoordeeld. Veel patiënten merken de eerste duurzame verandering rond de tweede of derde sessie: de klacht komt minder snel terug, of het gevoel van “doorschieten” neemt af.
Wanneer een serie is afgerond en het weefsel is versterkt, is het resultaat in principe blijvend — het gaat immers om structureel herstel, niet om een depot dat uitwerkt. Onderhoudssessies zijn soms zinvol bij aanhoudende overbelasting of bij algemene bindweefselhypermobiliteit.
Blijft de verbetering na drie tot vier sessies volledig uit, dan is dat een reden om de diagnose te heroverwegen, niet om door te gaan met dezelfde behandeling.
Veiligheid
Prolotherapie heeft een gunstig veiligheidsprofiel. De ingebrachte stof is glucose — een lichaamseigen molecuul, geen medicament met systemische werking.
Wat vaak voorkomt: napijn en stijfheid in de eerste dagen, een blauwe plek, kortdurende toename van de klacht.
Wat zeldzaam is: infectie, een bloeding van betekenis, prikkeling van een zenuw. Bij injecties rond de wervelkolom — en in het bijzonder cervicaal en thoracaal — vraagt de anatomie extra zorgvuldigheid. Wij werken volgens een vast infectiepreventieprotocol en gebruiken echogeleiding waar de structuur daarom vraagt.
Prolotherapie is niet geschikt bij:
- een actieve infectie, lokaal of algemeen;
- stollingsstoornissen of bloedverdunners die niet tijdelijk gestaakt kunnen worden;
- een acute, complete pees- of ligamentruptuur — dat is een chirurgische vraag;
- ontregelde diabetes (de suikerbelasting is klein, maar de instelling verdient aandacht);
- een actieve maligniteit;
- klachten waarbij bij onderzoek geen ligamentaire of enthesale component aantoonbaar is. Dan bereikt de behandeling de verkeerde structuur, hoe goed ze ook wordt uitgevoerd.
Veelgestelde vragen
Is dit hetzelfde als een cortisone-injectie? Nee, het is er het tegenovergestelde van. Een corticosteroïd remt de ontstekingsreactie; prolotherapie lokt er juist een uit om herstel te starten. Een corticosteroïd werkt snel en kortdurend, prolotherapie langzaam en duurzaam.
Doet het pijn? De prik zelf valt mee — dunne naald, klein volume, meestal met verdoving in de oplossing. De napijn in de eerste dagen is doorgaans het vervelendste deel, en die is verwacht en tijdelijk.
Waarom meerdere sessies? Omdat collageenopbouw tijd kost en over meerdere ronden steeds beter geordend raakt. Eén sessie geeft één prikkel; de opeenstapeling maakt het verschil. Bij een behandeling die op weefselopbouw mikt, is dat inherent aan het principe.
Kan ik erna sporten? Bewegen mag direct. Zware of explosieve belasting van het behandelde gebied is de eerste dagen onverstandig. Uw eigen oefenprogramma gaat gewoon door.
Waarom mag ik geen ibuprofen nemen tegen de napijn? Omdat u dan precies uitschakelt waarvoor u gekomen bent. De ontstekingsreactie ís de behandeling. Paracetamol remt die cascade niet en is dus het juiste middel.
Is het onderzocht? Ja, en de uitkomst verschilt sterk per indicatie — zie de sectie hierboven. Bij de tenniselleboog, het SI-gewricht en het kaakgewricht is het bewijs sterk; bij algemene lage rugpijn is het gemengd. Wij vinden dat u dat verschil hoort te weten voordat u begint.
Wordt het vergoed? Niet vanuit de basisverzekering. Sommige aanvullende verzekeringen vergoeden een deel. Wij informeren u vooraf volledig over de kosten.
Heb ik een verwijsbrief nodig? Nee. U kunt rechtstreeks een afspraak maken. Breng eventuele eerdere röntgenfoto’s of MRI-verslagen mee.
Tot slot
Prolotherapie dankt haar plaats in onze praktijk niet aan technologie maar aan een idee: dat pijn een anatomische oorzaak heeft, dat de behandeling die structuur moet bereiken, en dat ze er een gunstig effect op moet hebben. Dat zijn de drie principes waarop de orthopedische geneeskunde is gebouwd, en prolotherapie voldoet er nauwkeurig aan.
Wat het resultaat bepaalt, is niet de vloeistof in de spuit. Het is de vraag of de juiste structuur is gevonden. Daar gaat het consult over, en daar begint elke behandeling.
Björn Mulder, arts
Wetenschappelijke referenties
- Hsu C, Vu K, Borg-Stein J. Prolotherapy — a narrative review of mechanisms, techniques and protocols. Physical Medicine and Rehabilitation Clinics of North America, 2023.
- Liu S, et al. Netwerkmeta-analyse van injectietherapieën bij epicondylitis lateralis, 40 gerandomiseerde studies. Arthroscopy, 2022.
- Kim WM, et al. Vergelijking van dextrose-prolotherapie en corticosteroïd bij sacro-iliacale gewrichtspijn. 2010.
- Chakraverty R, Dias R. Injectiebehandeling van sacro-iliacale pijn. 2004.
- Rabago D, et al. Gerandomiseerde studie naar dextrose-prolotherapie bij knieartrose, 90 patiënten, 52 weken.
- Cashin AG, et al. Meta-analyse van 301 gerandomiseerde studies naar behandelingen bij lage rugpijn. BMJ Evidence-Based Medicine, 2025.
- Catapano M, et al. Systematische review naar dextrose-prolotherapie bij rotatorcuff-tendinopathie, 5 gerandomiseerde studies.
- Hauser R, et al. Prolotherapie bij chronische lage rugpijn, cohort van 145 patiënten, 2009.
- Steilen D, Hauser R, et al. Cervicale instabiliteit en capsulaire ligamenten: narratieve review. The Open Orthopaedics Journal, 2014.
- Su B, O’Connor JP. NSAID’s en bot-, pees- en enthesisherstel. Journal of Applied Physiology, 2013.